|
Interview uit het Nieuwblad (31-1-2009):
`Ik denk nooit: waarom heb ik dit niet geschreven
op mijn dertigste? Ik heb geen spijt. Weet je, als schrijver
zit je opgesloten in je kamer. Door alle dingen die ik heb meegemaakt,
zit in mijn hoofd voor zeker tien jaar stof voor verhalen.’
Lees hier meer (pdf)
Vraag en antwoord
Waar is Zeewater is zout zeggen ze gesitueerd?
De roman speelt zich af in de jaren vijftig op de Antwerpse linkeroever.
Een opgespoten gebied, op dat ogenblik niet veel meer dan een zandwoestijn,
met hier en daar enkele pas aangelegde straten, zoals Nederland
die ook heeft gekend. Onder het zand liggen de ruïnes van een
heus dorp. De naoorlogse wederopbouw komt volop op gang. De Koude
Oorlog woedt. Daar woont het Antwerpse gezin, in zo’n nieuw
rijtjeshuis met puntdak. De vader, Raymond Lahaut, heeft hoewel
hij overtuigd communist is de kleinburgerlijke droom willen waarmaken
om een eigen huis te bezitten. Ook al gaat dat boven zijn financiële
kracht en tegen de wens in van zijn vrouw.
Hoe zou je de verhoudingen binnen het gezin schetsen?
Als communist is vader Raymond militant atheïstisch
en bijgevolg antiklerikaal in een tijd dat het katholicisme nog
overal de toon zet. Je zou hem op zijn manier ook een romanticus
kunnen noemen. Als geschoold arbeider discussieert hij met zijn
maten in de fabriek, hij leest boeken van de wereldbibliotheek,
en hij gelooft in de gedachte van vooruitgang – kinderen moeten
hun best doen op school – hij schaakt, hij volgt de politiek
via de radio en de kranten en hij doet dat met veel commentaar.
Hij probeert tevergeefs de huiselijke vrede te bewaren. Zijn vrouw
Rika deelt zijn visie niet. Zij snakt naar romantiek, glamour en
hartstocht in het leven. Ze wil plezier maken en met zo’n
man lukt dat niet. Ze is een tragische figuur, die eeuwig door hoofdpijn
wordt geplaagd. Ze loopt er onverschillig en ongeïnteresseerd
bij en verkeert in een soort onophoudelijke rouw om haar moeder.
Hun huwelijk is een regelrechte mismatch.
Er zijn twee kinderen. Het tienjarige, eigenwijze meisje Rosa en
het jongere broertje, voor wie ze vaak moet zorgen. Ze erkent en
ondergaat alle stemmingen en spanningen tussen haar ouders, en is
daardoor steeds op haar hoede en al vlug haar argeloosheid kwijt.
Voor haar loopt er een scheidingslijn tussen wat ze binnen de vier
muren van haar huis van haar vader hoort over politiek en geloof,
en dat wat ze opvangt als ze buiten speelt met de kinderen uit de
buurt. Kinderen voor wie kerk en geloof nog een vanzelfsprekendheid
zijn. Een leven zonder God is voor hen onbevattelijk, terwijl voor
Rosa juist het omgekeerde geldt. En dat fascineert haar. Rosa’s
moeder steekt haar voorkeur voor broertje Jean-Pierre niet onder
stoelen of banken.
Wie het verhaal leest komt in een flashback te weten hoe Raymond
en Rika elkaar leerden kennen. Dramatische situaties volgen elkaar
op. Het gezin zal uiteenvallen.`
Je debuteerde op latere leeftijd (61). Waarom heb je
zo lang gewacht?
Ik heb altijd al geschreven. Geen dagboek bijgehouden, maar wel
fictie: stukken en brokken die steeds een autobiografische inslag
hadden. Ik heb het altijd leuk gevonden om met taal bezig te zijn
en met woorden aan zinnen te friemelen en peuteren. Ik heb ook altijd
de wens – eerder de droom – gekoesterd om ooit iets
te schrijven dat een echt boek zou worden. Het boek als object.
Maar ik leefde in de overtuiging dat daar in het echt nooit iets
van zou komen. Dat ik daar niet genoeg voor in mijn mars had. Ik
ben daar altijd redelijk nuchter in geweest: als het er niet van
komt, is er weinig verloren.
Dit boek was een uitdaging aan mezelf. Ik wilde zien of het me zou
lukken om dat wat ik in mijn hoofd had om te zetten in taal: de
stemmen en geluiden die nog steeds in mijn bovenkamer weerklinken,
al dat gezoem, de beelden die ik nog voor me zie, de stemmingen
die ik toenmaals onderging. En om daarbij dan dingen te fantaseren.
Het zou een overwinning op mezelf zijn als ik erin zou slagen om
een afgeronde tekst bij elkaar te krijgen. Een geheel.
Maar om dit te verwezenlijken moet je je kunnen afzonderen. Ik had
gezinsleden, een baan en een druk sociaal leven. Ik wilde dit actieve
leven niet opgeven voor zoiets weinig ‘lucratiefs’,
waar bovendien waarschijnlijk toch nooit iets van kwam. Ik heb hierdoor
natuurlijk wel lang geoefend. Ik heb een lange incubatietijd gehad.
Nu heb ik wel genoeg levenservaring opgedaan – en ik doe die
elke dag opnieuw op – om nog een tijdje voort te kunnen met
mijn gefriemel met woorden.
Schrijvers hebben vaak diverse verhalen in het hoofd.
Waarom moest dit verhaal eerst verteld worden?
Omdat dit toch wel het meest fundamentele verhaal is dat ik kan
vertellen. Het betreft mijn wortels. De basis van mijn bestaan.
Het is mijn referentiekader. Ik denk dat iedere schrijver, hoe vroeg
of hoe laat hij of zij ook debuteert, begint met te schrijven wat
hem of haar het meest na aan het hart ligt. Er zullen deels gebeurtenissen
in staan die – al zijn ze verzonnen – er mede de oorzaak
van zijn dat ik ben die ik ben. Ze hebben mijn karakter gevormd
en mijn beoordelingsvermogen of mijn manier van in het leven te
staan.
Tegelijkertijd schreef ik – behalve dat het een familieroman,
een stadsroman en een bildungsroman is – ook een soort historische
roman. De basis van de naoorlogse wereld. Hoe mensen destijd aldoor
aan de oorlog bleven refereren. Die komt trouwens regelmatig terug
in het boek terug: de oorlog hangt er als het ware overheen. De
Eerste Wereldoorlog trouwens ook. En hoe snel alles veranderde:
de eerste autobezitters in de straat, de eerste mensen die een televisie
in huis halen, koken op elektriciteit, elektrische huishoudelijke
apparaten, moderne keukens.
Wat me wel verwondert is dat de religieuze situatie in het boek
nog zo actueel is. De destijds ongemakkelijke, weerbarstige, tegenstrijdige
verhouding in Vlaanderen tussen atheïsme en katholicisme. Mijn
boek begint in de periode na wat wij in Vlaanderen de Schoolstrijd
noemden. Toen ik jaren geleden rondliep met het idee om een boek
te schrijven, dacht ik: die roman zal gedeeltelijk gaan over de
tegenstelling tussen ongelovigen en katholieken. Over hoe de eersten
als een bijna gemarginaliseerde minderheid bekeken werden. Dat leek
me zo voltooid verleden tijd, al die romans over de beperkingen
en hypocrisie die een godsdienst de mensen oplegt. Dat hebben we
in Vlaanderen met Walschap, Claus en Boon wel gehad, en in Nederland
met Wolkers. En juist op dat moment sijpelde hier onmerkbaar het
probleem binnen van een voor België en Vlaanderen geïmporteerde
godsdienst, die vele van die tegenstrijdige verhoudingen weer nieuw
leven inblaast. De vader die zijn jonge dochter inpepert dat ‘godsdienst
de opium is voor het volk’, en de Amerikanen die nog geloven
dat de aarde plat is omdat het verhaal van hemel en hel anders niet
klopt. Ik heb me tot voor enkele jaren geleden niet kunnen voorstellen
dat er weer gediscussieerd zal worden over de evolutietheorie. Ik
dacht: wie lust die oude koek nog?
De toon van het boek is heel eigen en past goed bij die
tijd en bij de sfeer in het gezin. Hoe heb je die toon gevonden?
Ik heb geprobeerd het verhaal zo filmisch mogelijk te brengen. De
vele details heb ik minutieus gekozen: elk detail heeft een functie
en vertelt iets zonder het op te schrijven. Dat laat ik aan de verbeelding
van de lezer over. Ik beschrijf weinig. Er wordt gedacht en gedaan
door de drie hoofdpersonages en uiteraard door alle andere personages,
zoals buren, schoolmeesters, arbeiders. Als lezer volg je de feitelijke
gebeurtenissen vooral van drie kanten. Ieder heeft een eigen stem,
een eigen dimensie. Een eigen toon, en eigen klanken. Ik hanteer
soms – waar de psychologie en de maatschappelijke situatie
dat verlangt – heel bewust een variant van het Algemeen Beschaafd
Nederlands. Dialectische elementen als een soort sociaal register.
De moeder is van Noord-Nederlandse afkomst en gebruikt tot schaamte
van haar kinderen Hollandse uitdrukkingen en zegswijzen. Maar natuurlijk
ondergaat ze de talige invloed van het Antwerpse dialect, behalve
in haar innerlijke monologen.
De vader is dialectspreker. Zijn taal – overigens in Nederlandse
woorden – wordt gekenmerkt door het gebruik van gij
in plaats van jij, of door het bezittelijk voornaamwoord
oe in plaats van uw.
Het meisje spreekt dan weer als een kind uit een tweetalig gezin:
je tegen moeder en ge tegen vader en op straat
tegen de buurtkinderen. Ik hoop dat het me gelukt is om de gedachten
en beelden van een volwassene die door het kind heen gaan op een
kinderlijke manier te verwoorden.
Hierdoor verkrijg je zoals een criticus dat beschreef een stemmenballet,
temeer omdat het boek voor een groot deel uit dialogen bestaat.
De lezer komt veel te weten, niet uit wat ik als schrijver beschrijf,
maar uit wat de personages zeggen en doen.
Ik maak dus gebruik van dialogen – in met name die tussen
de echtelieden gaat het er soms kribbig aan toe – maar ook
van innerlijke monologen. Zo kom je als lezer te weten wat deze
mensen van elkaar denken zonder dat zij dat zelf van elkaar weten.
De personages kunnen geen echt contact met elkaar leggen.
Welk personage is jou het meest sympathiek?
Ik heb tijdens het schrijven bewust geprobeerd geen partij te kiezen.
Dat laat ik graag aan de lezer over. Of je hebt met Raymond te doen,
of je vindt het een saaie zeurpiet die alleen maar emoties toont
als hij over politiek kan praten. Hij zou zijn kinderen beter sprookjes
kunnen vertellen, iets wat in de jaren vijftig echter niet zo gebruikelijk
was, ook niet bij andere vaders.
Of je krijgt de zenuwen van de moeder, of je toont begrip voor haar
wispelturigheid en onvrede en op een bepaald ogenblik voor haar
ondernemingslust.
Rosa is een surviver. Niet altijd een lieverdje, wat vaak zo is
met kinderen die al vroeg dergelijke situaties meemaken. Ze doet
maar al te graag en met veel plezier mee aan het pesten van een
klasgenootje, hoewel ze weet dat het niet deugt. Ze vindt er een
verantwoording voor door zichzelf wijs te maken dat het meisje het
pesten zelf opzoekt met haar irritante gedrag. Rosa toont wel verantwoordelijksgevoel
tegenover haar jongere broertje, die een geheel eigen stem en functie
heeft in het verhaal. Ze komt pas echt uit de verf in haar fascinatie
voor het katholieke geloof van de kinderen uit de straat, in het
bijzonder van één jongetje, het zoontje van de koster.
In wezen benijdt ze het geregelde, kleine leventje van die mensen
en ze verlangt ernaar dat het er bij haar thuis ook zo aan toe zou
gaan. Een vrolijke moeder aan de strijkplank, een opgeruimd huis
…
Wat wilde je kwijt over het Antwerpen van na de oorlog.
De stad waarin je opgroeide?
Antwerpen is het decor. De halve stad wordt zowat in kaart gebracht
via de loopjes van de personages: van de linkeroever, via de voetgangerstunnel
door naar het centrum op de rechteroever. Ik heb op een paar na
de echte straatnamen behouden. Althans in het centrum. Ik beschrijf
een bioscoop waar men naartoe gaat, een snackbar, een voornaam etablissement,
zaken die nu verdwenen zijn. Buurten die toen chique waren, zijn
nu verloederd en omgekeerd. Voor de straatnamen op de linkeroever
heb ik voor andere namen gekozen, maar wel in dezelfde trant: namen
van Nederlandstalige schrijvers of van figuren uit middeleeuwse
romans.
De voetgangerstunnel is op dat ogenblik de navelstreng tussen de
rechter- en de linkeroever. Ik lees nu een stuk voor waarover iemand
schreef: ‘Op een gegeven ogenblik tekent zich een scène
af die ik bestempel als de eerste neerslag in woorden van wat Masereel
in zijn houtsneden met beelden heeft gedaan.’ De tunnel als
locatie voor de bewegende mensenstroom. Deze mensenmassa bestaat
uit geïsoleerde individuen die zich naar hun werk haasten.
In de tunnel kruisen ze de nachtploeg. Raymond als persoon te midden
van de anonimiteit en de onpersoonlijke automatismen van anderen.
Hoe heb je het proces van schrijven en publiceren ervaren?
Als een plezier. Anders was ik er niet aan begonnen. Toen de eerste
versie af was heb ik het manuscript een tijdje laten liggen. Ik
kreeg het niet van me losgeweekt en met het idee dat het toch nooit
zou worden uitgegeven, ben met de tekst gaan experimenteren. Zo
is het uiteindelijk geworden wat het nu is. Ik bedoel daarmee: de
filmische structuur, niet beschrijven maar tonen, zonder de inhoud
te veranderen.
Hoe waren de reacties?
Zoals dat gaat met reacties: wie ervan genoten heeft komt het je
zeggen, wie niet, die zwijgt. Je vraagt ook niet zelf aan iemand:
‘Heb je mijn boek gelezen en hoe vond je het?’ Ik heb
meer enthousiaste reacties gekregen dan ik had kunnen vermoeden,
ook van mensen die in het vak zitten en wier commentaar ik waardevol
vind. Ik werd zelfs vernoemd in nieuwjaarlijstjes van bekende personen,
als auteur van een prachtige roman...
Wat vind je van de nominatie voor de Academia Debutantenprijs?
Uiteraard stemt mij dat met enige trots, ondanks mijn leeftijd.
Anderzijds moet je die prijzen ook altijd relativeren. Als je ziet
hoeveel prijzen er zijn en hoe steeds weer andere mensen genomineerd
worden, dan is het natuurlijk ook altijd een loterij. Met deze prijs
heb je bovendien stemmen van de buitenwereld nodig. Als je ziet
wat er nu aan de gang is in Nederland met de dichter des vaderlands,
dan weet ik niet of dat echt zo’n goed idee is. Ik apprecieer
natuurlijk de professionele jury, die mij als enige Vlaming met
een toch wel erg Vlaams boek genomineerd heeft uit de vele inzendingen.
Het streelt mijn ijdelheid en ik vind het leuk voor mijn uitgever,
voor mijn redacteur en voor mijn positie tegenover hen. Het geeft
me zelfvertrouwen en zin om voort te gaan.
Ben je op dit ogenblik met een nieuwe roman bezig?
Ik ben nu bezig met de afronding van een tweede roman: Spinnenverdriet.
Als er in het meisje Rosa karaktertrekken van mezelf zitten, dan
zitten die eveneens in de drie vrouwen die in de tweede roman de
hoofdrol spelen. Elk personage is dan één derde ik,
en tweederde verzonnen of geïnspireerd op andere mensen. De
historie omspant veertig jaar uit het leven van die drie vrouwen.
En natuurlijk uit dat van hun mannen. Ze woonden als kind bij elkaar
in de buurt en trokken als tieners en jonge volwassenen veel met
elkaar op. Na hun studie, eenmaal volwassen, gaat ieder zijn eigen
weg. Vele jaren later ontmoeten ze elkaar weer.
Hun kindertijd speelt zich af in de jaren vijftig. De jaren zestig
vormen de achtergrond van hun ‘vormingsperiode’, en
in de actuele tijd met technologische innovaties ontrafelt de roman
zich naar een dramatisch plot.
Alle scènes bevatten scharniermomenten die doorklinken in
de ontknoping in het laatste deel.
Die scharniermomenten hebben te maken met maatschappelijke veranderingen,
politieke, morele, godsdienstige overtuigingen, relaties die ontluiken
en weer op de klippen lopen, opvattingen over hedendaagse avant-gardekunst,
het al dan niet hebben van kinderen en de prangende kinderwens,
ambitie en neergang, vierdewereldtoestanden, verwijzingen naar literaire
klassiekers, moederliefde, wrok en zelfs moord. Goed en kwaad. Leven
en dood. Hartstocht, liefde, haat en alle registers daartussenin.
Spinnenverdriet is een caleidoscopische schildering.
Heb je nog een tip voor mensen die na hun vijftigste
willen gaan schrijven?
Ik zou zeggen, doen. En doorgaan. Je kunt er niets mee verliezen.
Alleen tijd. Maar dat is geen verloren tijd. Want dan is alles verloren
tijd.
|